galop-balans

7 Aspecten van trainbaarheid

Vorige week hebben jullie de verhelderende blog van Marjorie Westerhof kunnen lezen over trainbaarheid van het paard, n.a.v. het HorseConnect seminar over dit onderwerp op 17 februari jl. Op dit seminar heb ik de geschiedenis van mijn 6-jarige ruin Harry uit de doeken gedaan als casus die illustreert wat er allemaal in de opleiding van het jonge paard fout kan gaan en welke gevolgen dat heeft voor de trainbaarheid en zelfs de bruikbaarheid van zo’n paard. Het is verontrustend dat dergelijke opleidingsfouten veel voorkomen en vaak niet eens met slechte bedoelingen. Het maakt simpelweg deel uit van een prestatiecultuur die alom vertegenwoordigd is in “de” paardenwereld, en die zich wellicht laat vangen in het doel om paarden zo snel mogelijk naar het Z te rijden, bij voorkeur zodra het paard 6 jaar is want dan is de Z-rubriek “eindelijk” toegankelijk voor de 6 -jarige.

Maar toegankelijk wil nog niet zeggen dat het ook een doelstelling moet zijn. Door deze doelstelling wordt er vaak doelgericht getraind in plaats van procesgericht. Het begrip “doelgericht” heeft vaak een positieve connotatie: het staat voor prestatie, het staat voor efficiency, het staat voor korte termijn. Echter door de focus te veel te leggen op het doel, op de prestatie, bestaat het risico dat verschillende trainingsaspecten die deel uitmaken van een opbouwend trainingsproces onderbelicht blijven, laat staan waargenomen door de trainer of gevoeld door de ruiter. Daarom pleit ik voor een procesgerichte training waarbij het paard en de ruiter als combinatie de uitgangssituatie vormen die bepalend is voor de eerstvolgende stap in de training.

In dit blog heb ik deze trainingsaspecten voor de leesbaarheid geclusterd in 7 onderwerpen, maar in de praktijk is er sprake van een onderlinge afhankelijkheid tussen deze aspecten en van een onderlinge invloed op elkaar. De scheidslijnen zijn dus niet zo duidelijk waar te nemen en ik kan net zo goed een onderverdeling maken in 3 of in 10 trainingsaspecten. Ook is het ondoenlijk om alle aspecten volledig uit te werken in een leesbaar blog: het kan dus zijn dat je informatie mist of dat je vindt dat ik een andere keuze had kunnen maken in de dingen die wèl benoem. Mijn doel met dit blog is echter duidelijk maken is dat training veel meer behelst dan alleen het werk onder het zadel en de prestaties in de sport, en ik ben me ervan bewust dat mijn keuzes niet volledig recht doen aan de complexe praktijk. Dit omwille van de leesbaarheid.

1. Natuurlijk gedrag: flight, fight, freeze and faint

Van nature is het paard een prooidier. Dat maakt dat zijn natuurlijke gedrag gericht is op overleven. Zijn zintuigen zijn continu actief om het geringste gevaar in de omgeving waar te nemen. Met andere woorden: het paard is permanent waakzaam. En zodra er vermeend gevaar dreigt, is de hele fysiologie van het paard gericht op vluchten: het paard richt zich op, de hals hoog, de rug in extensie, de oren gespitst. De hartfrequentie neemt toe en het paard is klaar om op hoge snelheid van het gevaar weg te galopperen. Dit is de natuurlijke reactie op alles wat het paard angst inboezemt: ritselend geluiden in de struiken of veranderingen in de omgeving (de kliko die er gisteren niet stond).

We kunnen stellen dat dit de natuurlijke reactie is op niet-fysieke druk. Wordt het paard echter geconfronteerd met fysieke druk – het roofdier dat het paard bij de schoft te pakken heeft – dan zal het paard van nature reageren met een vechtreactie: bokken, schoppen, bijten. Het paard is van nature niet een heel behendige vechter, dus het gevolg is vaak dat het paard zich moet overgeven aan het roofdier, waartoe de natuur het paard heeft uitgerust met de reactie “freeze”. Het paard blokkeert zowel fysiek als emotioneel door een toestand van bewustzijnsvernauwing die hem een lijdensweg bespaart. Uiteindelijk zal hij het bewustzijn volledig verliezen en dat is de laatste reactie op gevaar: “faint”. Het is klaar om verorbert te worden.

Gewenst gedrag
Wanneer we met het paard gaan werken, verlangen we volstrekt ander gedrag: we willen niet dat het paard waakzaam is op de omgeving, maar let op de aanwijzingen die de trainer of de ruiter geeft; we willen niet dat een paard gaat bokken zodra we in het zadel plaats nemen en we vinden het ook wel prettig als ons paard vlot achter ons aan de trailer inloopt omdat we eindelijk op wedstrijd kunnen. Er is een heel overzicht van ongewenste gedragingen te maken die allemaal terug te voeren zijn op normaal natuurlijk paardengedrag. Gedragingen die de ruiter frustraties bezorgt en waardoor het paard bestempeld wordt als lastig, rilbok of kloteknol en misschien wel het predikaat “staatsgevaarlijk” toebedeeld krijgt.

Willen we gewenst gedrag in àlle denkbare situaties waarin we met paarden omgaan, dan zullen we dat moeten trainen. Het is gebruikelijk om de training van 3-jarige paarden te starten met het zadelmak maken, maar ik zou er voor willen pleiten om de training te starten met het aanleren van allerlei gewenste gedragingen die het paard een betere uitgangspositie geven om als rijdier te worden opgeleid. Dit komt de fysieke en mentale gesteldheid van het paard ten goede, maar ook de veiligheid van de ruiter. Vertrouwen vormt de basis.

balans-paard

Harry, van “staatsgevaarlijk” naar stabiel

2. Karakter

Naast zijn eigenschappen van prooidier, vormt ook het karakter van het paard de basis voor zijn natuurlijke gedrag. Het karakter wordt voor een deel bepaald door het ras waartoe het behoort, en voor een deel door de fokkerij. Zo wordt er gesproken over “hete bloedlijnen”, moeilijke paarden met sensibele karakters die je veelal tegenkomt onder de moderne dressuurpaarden. Over karakters van paarden bestaan allerlei opvattingen: Jazz-afstammingen zijn moeilijk, Friezen zijn koel in de kop, shetlanders zijn eigenwijs, etc. Deze generalisaties zijn vaak gebaseerd op uiterlijk waarneembaar gedrag. Kijken we echter naar de motivatie achter het gedrag (angst, pijn, ongemak, aangeleerd gedrag waarmee het dier naar zijn eigen ervaring succes heeft), dan zijn er toch voornamelijk overeenkomsten. De Fries lijkt koel in de kop omdat hij minder risicovol vlucht- of vechtgedrag (we kunnen ook spreken van vermijdingsgedrag) vertoont dan de heet gefokte KWPN’er die hele toeren uithaalt om onder de druk van de ruiter uit te komen.

Het gebeurt zelfs vaak dat de paarden die koel lijken, in feite verkeren in een staat van learned helplessness omdat ze geleerd hebben dat hun manier van verzet (vermijdingsgedrag) niet heeft geleid tot een bevrijding van pijn of ongemak. Ik vind het daarom belangrijk om het gedrag van paarden te beoordelen in de samenhang met de omgeving en het karakter van het paard: wanneer we gewenst gedrag willen trainen, is het belangrijk om aan te sluiten bij de motivatie die het paard heeft bij het vertonen van – voor ons – ongewenst, risicovol gedrag. Het onderkennen van die motivatie is helaas geen gemakkelijke taak: het vraagt ervaring en een permanente oefening in observatie van het paard door de trainer of de eigenaar, aangevuld met de nodige kennis over paardengedrag. In risicovolle gevallen is het raadzaam om een gedragstherapeut voor paarden in te schakelen.

Karaktertypen

Bij het herkennen van de motivatie tot welk gedrag dan ook, kan het handig zijn om karakters te typeren. Karaktertypen bieden een kader waarbinnen gedrag en motivatie betekenis krijgen. Onlangs is er bij HorseConnect een blog gepubliceerd over de karakterindeling volgens de Traditionele Chinese Geneeskunde. Deze indeling hanteer ik zelf ook bij het beoordelen van het karakter. De karaktertypering heeft geen invloed op de techniek die ik toepas in de training, maar wel op de intentie waarmee ik werk. De vragen die ik aan de paarden stel, zijn hetzelfde, de manier waarop verschilt. Communicatie is de basis.

watertype-paard

Nina, als watertype altijd alert en klaar om te vluchten

3. Leren wijken voor druk

Alles wat wij met een paard doen, is gebaseerd op het begrip “wijken voor druk”, of het nou gaat om het meelopen aan een halstertouw, het optillen van de voeten om de hoeven uit te krabben, het geven van kuitdruk of het ontspannen van de mond en het kaakgewricht wanneer het paard is opgetoomd met hoofdstel en bit. De druk waarover we hier praten is fysieke druk: we raken het lijf van het paard aan. Hierboven heb je kunnen lezen dat de natuurlijke reactie van een paard op fysieke druk een vechtreactie is: hij zal van nature dus tegen de druk in gaan! En dat is nou net wat we niet willen. En toch gebeurt het maar al te vaak dat een jong paard een zadel op zijn rug krijgt, een hoofdstel met een bit eraan, een ruiter op de rug die zijn benen aandrukt, waarbij dan ook verwacht wordt dat het paard gewoon naar voren zal bewegen. Hij mag misschien wat verzet tonen, en wat bokken maar dat is “all in the game”. Zolang de ruiter blijft zitten, is er niets aan de hand, toch?

Helaas wel! Het paard bevindt zich voor zijn gevoel in een uiterst bedreigende situatie die appelleert aan het roofdier op zijn rug. Zijn hele fysiologie staat in de vechtstand met de nodige spanning die dat teweeg brengt. Ik hoef niet uit te leggen dat dit het welzijn van het paard ondermijnt. Maar minder bekend zal zijn dat dit ook negatieve trainingswaarde heeft: onbedoeld wordt het verkeerde gedrag bekrachtigd. De mechanismen die hieraan ten grondslag liggen, zijn complex en vormen op zichzelf een onderwerp voor een volgend blog. Het resultaat van bovengeschetste praktijk is dikwijls een paard dat als lastig te boek staat: een zogenaamde rilbok.

Grondwerk

Om paarden systematisch te leren wijken voor druk, maak ik gebruik van grondwerk. Onder grondwerk worden allerlei trainingsvormen geschaard, maar in deze context bedoel ik met grondwerk het werk aan de hand met behulp van een freestyle-halster en een leadrope. Ik begin met eenvoudige oefeningen als leiden en volgen, vervolgens pas ik enkelvoudige oefeningen toe als een pasje voor- of achterwaarts en vervolgens bouw ik uit naar complexe oefeningen als keertwendingen of zijgangen. In dit trainingsproces maak ik gebruik van het principe negatieve bekrachtiging: de (zeer milde) druk verdwijnt zodra het paard de gewenste oefening laat zien. De meeste paarden zullen dit principe generaliseren naar nieuwe situaties. Het resultaat is een paard dat ook onder het zadel reageert op zeer milde druk: het is dus scherp aan de hulpen. Bij zeer scherpe paarden of hete paarden zogezegd, maak ik tijdens het grondwerk ook gebruik van systematische desensibilisering. Deze paarden reageren vaak wantrouwig of angstig op aanrakingen en druk op het lijf. Er wordt veelal omzichtig met deze paarden omgegaan om te voorkomen dat ze schrikken en risicovol gedrag vertonen. Dat heeft echter geen trainingswaarde: de motivatie angst zal altijd een hevige beweging uitlokken. Ik wil dat het paard in de aanwezigheid van een angstopwekkende prikkel gewoon blijft staan. Door systematische desensibilisering leer ik dat aan. Voorbeelden van deze methode zijn bekend geworden door Tristan Tucker en ik ga ervan uit dat je je daarvan wel een voorstelling kunt maken. Het zijn echter geen voorbeelden die je onvoorbereid moet willen nadoen. De systematiek die erachter zit is complex, en de omgeving waarin je traint moet aan allerlei voorwaarden voldoen, net zoals de omstandigheden waaronder. In dit werk komen vertrouwen en communicatie bij elkaar.

4. Bouw en balans

Van nature is het paard op de voorhand gebouwd: het draagt 60 % van zijn lichaamsgewicht op de voorhand. Voor een prooidier – die ook altijd vluchtdier is – is dit functioneel. De achterhand vormt de motor voor snelheid maar hoeft niet tevens energie te gebruiken om te dragen. Draagkracht vraagt zoveel energie dat dat de vluchtreactie niet ten goede komt. Zodra we echter op de rug van een paard gaan zitten is draagkracht essentieel. We weten dat de natuurlijke constructie van een paard niet gemaakt is voor het dragen van een last. De wervelkolom is te vergelijken met een hangbrug en zal dus inzakken (in extensie komen) zodra we erop gaan zitten. Dit heeft op termijn schadelijke gevolgen voor de wervelkolom met aandoeningen als synovitis, artrose, kissing spines, etc.

Een gebogen brug is veel sterker en dus zullen we de wervelkolom in flexie moeten brengen om de draagkracht van het paard te vergroten. We zullen het paard dus een andere balans aan moeten leren dan zijn eigen natuurlijke balans.. Dit doen we in het fysieke trainingsproces waarin we leren het paard systematisch meer gewicht op de achterhand op te nemen, zodat het met een gekanteld bekken, de rug in flexie brengt waardoor de ruimte tussen de afzonderlijke wervels toeneemt, hetgeen, indien correct uitgevoerd, leidt tot de schoftlift en het op lengte brengen van de hals in een voorwaartse neerwaartse tendens. Allerlei vormen van werk aan de longe, de dubbele longe, de dubbele lange lijnen zijn als het goed is, gericht op het aanleren van een functionele balans als rijpaard, of – in een later stadium van africhting – op de verdere ontwikkeling van het proces waarbij het paard steeds meer in de horizontale balans leert te bewegen tot aan de hoogste graad van verzameling toe. In de klassieke trainingsmethoden waarbij rechtrichten en gymnastiseren centraal staan, wordt voor dit proces rustig een aantal jaar uitgetrokken. Sterker nog: het proces is eigenlijk nooit helemaal voltooid.

Bergopwaarts

In de warmbloedfokkerij bewees men de sport een dienst door een dressuurpaard te creëren dat van nature al bergopwaarts is gebouwd. Helaas was een veelgehoorde reactie hierop: “dat is makkelijk” , dan hoeven we dat er ook niet meer in te trainen, en kunnen we lekker proefgericht aan de slag”. Alsof je de eerste 5 stappen van het Scala voor het gemak even kon overslaan. Veronachtzaamd werd dat deze paarden, door andere verhoudingen binnen hun functionele anatomie mínder balans hebben en blessuregevoeliger zijn dan het ouderwetse type en dus (nog) méér gebaat zijn bij een traditionele africhting, gericht op balansontwikkeling. En die traditionele opleiding mag dus best een aantal jaar mag duren. We weten allemaal dat de praktijk vaak heel anders is, niet zelden beïnvloed door heersende handelsnormen waar zelfs hobbyruiters zich, al dan niet bewust, naar richten. Overigens wil ik wel benadrukken dat ik de sportpaardenfokkerij een zeer warm hart toedraag en dat ik geen enkele moeite heb met de paardenhandel, maar ik ben wel van mening dat iedere gebruiker gezondheid en welzijn van zijn paard hoger in het vaandel moet hebben staan dan de verkoopprijs.

Draagkracht vs. hypermobiliteit

Het bergopwaarts gebouwd zijn vormt weliswaar een functionaliteit ten aanzien van toekomstige sportprestaties maar het zegt nog niets over de draagkracht die nodig is voor het bergopwaarts bewégen. De juiste spierontwikkeling is essentieel voor het ontwikkelen van de draagkracht die ten grondslag ligt aan de functionele balans tijdens het rijden. En dat kost nou eenmaal tijd. Het spreekt voor zich dat het uitvoeren van oefeningen waarvoor de spierontwikkeling ontbreekt, onherroepelijk leidt tot blessures van structuren die ineens moeten gaan dragen terwijl ze daar niet voor gemaakt zijn: pezen, ligamenten, gewrichtskapsels.

Ook geboren atleten zijn gebaat bij een systematische trainingsopbouw voor de spierontwikkeling, in de humane sport is dat doodnormaal. Misschien moet ik wel zeggen dat geboren atleten júist gebaat zijn bij een degelijke basistraining, omdat een atletische bouw vaak gepaard gaat met hypermobiliteit. Hierbij is de weefselkwaliteit van de pezen, ligamenten en gewrichtskapsels elastischer maar daarmee ook kwetsbaarder: reden te meer om deze structuren te ontzien door een functionele spieropbouw.

Hypersensibiliteit

Voor het vluchtdier dat het paard als prooidier is, is het gevoel van balans van levensbelang. Niets is zo bedreigend voor een paard als het gevoel te hebben de balans te verliezen, om het gevoel te hebben om te vallen. De bergopwaarts gebouwde paarden hebben een verminderde balans om te vluchten. Tegelijkertijd is hun draagkracht niet vergroot: de rug zal nog steeds in extensie functioneren zodra er een ruiter op gaat zitten. Ik vraag me wel eens af of dat verminderde gevoel voor balans in zo’n situatie een bijkomende factor is voor de verhoogde spanning bij jonge en groene paarden, die mede de oorzaak is van extremer gedrag dan we gewend waren. Vaak wordt extreem gedrag toegeschreven aan de bloedlijn die nou eenmaal hypersensibele paarden voortbrengt. Dat speelt zeker in hoge mate mee, maar ik ken ook Jazzen en Charmeurs die dankzij systematische desensibilisatie enerzijds en balansontwikkeling anderzijds rustig te hanteren paarden zijn geworden, waarmee de trainbaarheid verhoogd is. Tijd vormt de basis.

5. Houding en balans

De gewenste dressuurhouding – de houding die vaak beloond wordt – is niet altijd een uiting van de gewenste balans. Zolang het paard maar met een gebogen hals loopt, wordt het al gauw als positief beoordeeld. Zoals gezegd nemen atletisch gebouwde paarden makkelijk een zelfhouding aan die lijkt op de functionele dressuurhouding. Het wordt vaak door ruiter en instructeur zo gelaten: “mooi makkelijk, hoef je niets meer aan te doen”. Maar “makkelijk” kan naar mijn idee nooit trainingswaarde hebben. Een ieder die ooit een sport heeft beoefend als wielrennen of hardlopen (sporten waarvan we gauw vinden dat we die kunnen, want we kunnen allemaal fietsen en hollen), zal hebben ontdekt dat er heel wat spiertraining nodig is voor bewegingen die we weliswaar van nature al beheersen, zodra we deze langdurig en intensief gaan toepassen. Het gegeven dat een paard van nature mooi kan bewegen en in een mooie zelfhouding kan lopen, maakt hem niet direct geschikt als rijpaard. We zullen het nog steeds geschikt moeten máken. Het eindresultaat zal bij een goede training uiteraard beter zijn dan bij een paard zonder deze kwaliteiten. Het kwaliteitspaard echter loopt vaker het risico om deze training te ontberen en voortijdig afgeschreven te worden als gevolg van blessures, omdat het vanwege het mooie plaatje dat hij van nature laat zien, niet geleerd heeft om functioneel te bewegen in een functionele houding.

Voorwaarts neerwaarts

Wat is dan die functionele houding? Dat is de houding in een voorwaarts neerwaartse tendens waarbij het paard in afhankelijk van het africhtingsniveau meer of minder gewicht opneemt op de achterhand, al is het maar in geringe mate.

Maar let op: de voorwaarts neerwaartse tendens is de meest onbegrepen term in de ruitersport. Er zijn er die denken dat voorwaarts betrekking heeft op het tempo (lekker hard naar voren draven) en neerwaarts op de hals (lekker laag, of rond, of met een losse teugel). Maar al heeft de ruiter of trainer begrepen dat voorwaarts neerwaarts in zijn geheel betrekking heeft op de hoofdhalshouding, dan nog is de uitvoering ervan niet altijd adequaat. Met name het voorwaartse aspect gaat nogal eens verloren, waardoor je vaak paarden ziet die veel te diep (achter de teugel) lopen en van het achterbeen af. Het correct aanleren van de voorwaarts neerwaartse tendens waarbij het paard in staat is om de hand naar voren toe aan te nemen, doordat het, afhankelijk van het africhtingsniveau in toenemende mate, gewicht opneemt op de achterhand en met een aangespannen onderlijn en een ontspannen bovenlijn onder het zadel beweegt, vraagt veel tijd. Onderliggende aspecten als verticale en horizontale balans, maar ook lateroflexie en de diagonale balans zullen ontwikkeld moeten worden om de houding goed aan te kunnen nemen. De kwaliteit van het rechtrichten en de gymnastisering die hierbij komt kijken, bepaalt uiteindelijk de balans en dus de houding van het paard. Een correcte houding bestaat niet zonder balans, maar uit een goede balans volgt als vanzelfsprekend een correcte houding. Het vraagt rijkunst van de ruiter en ondersteuning van een goede instructeur om dit trainingsaspect goed uit te voeren. Rijkunst vormt de basis.

6. Vaardigheid en kennis van de ruiter

Moet je dan een Grand Prix ruiter zijn met een dressuurcrack om goed te kunnen paardrijden? Zeker niet! Op elk niveau is het mogelijk om correct paard te rijden. Om gevoel te ontwikkelen voor verticale en horizontale balans, om op zoek te gaan naar de voorwaarts neerwaartse tendens. Om niet tevreden te zijn met een krul die punten oplevert in de wedstrijdring, maar om een start te maken met systematische gymnastisering en met rechtrichten, met een ontwikkeling die voor ieder paard heilzaam is. Elke stap in de goede richting is een correcte stap. Het begin van een positief proces. Elke correcte stap die bekrachtigd is, is een succes. Succes in de wedstrijdring is dan nog slechts een logisch en onafwendbaar gevolg van de correcte training. De dressuurproeven zijn slechts toetsstenen waaraan je de kwaliteit van training kunt meten. Vaak zien we het omgekeerde: de dressuurproeven worden het doel en als het vereiste aantal winstpunten binnen is, volgt promotie naar de volgende klasse en worden er wat oefeningen toegevoegd aan de dagelijkse training omdat dat nu eenmaal in de proeven wordt gevraagd.

Basisafrichting

Schouderbinnenwaarts en appuyementen zijn echter geen kunstjes die het paard moet opvoeren, maar combinaties van onderliggende vaardigheden die deel uitmaken van de basisafrichting van het paard. Het gemak waarmee het paard dergelijke oefeningen uitvoert, zegt alles over de mate waarin zijn balans ontwikkeld is. En met balans bedoel ik, zoals boven gezegd: verticale en horizontale balans, lateroflexie en diagonale balans. Omgekeerd draagt een oefening als schouderbinnenwaarts natuurlijk in hoge mate bij aan het ontwikkelen van die balans: het mes snijdt aan twee kanten.

Om de balans van het paard goed te kunnen beoordelen, is gevoel op basis van ervaring nodig. En kennis. Van rijkunst, maar ook van (functionele) anatomie. Gelukkig is er genoeg geschreven over deze onderwerpen maar de ondersteuning van een goede instructeur blijft voor elke ruiter essentieel. En zoals ik in mijn blog heb aangegeven, zijn er ook trainingsaspecten waarvoor weer andere expertise nodig is. Ik adviseer daarom ruiters of paardeneigenaren zich te omringen met de kennis en kunde van medische behandelaars of gedragsdeskundigen, net zoals je ook je zadelpasser en je bitfitter raadpleegt voor het juiste harnachement. De samenwerking van deze professionals binnen HorseConnect faciliteert goed management rondom het paard. Niet alleen als er problemen zijn maar vooral ook om problemen te voorkomen.

7. Medische zorg en revalidatie

Helaas zijn problemen nooit helemaal uit te sluiten. Wanneer we het paard gaan gebruiken als rijdier, recreatief of in de sport, zullen er haast onvermijdelijk blessures ontstaan. Dan heb je direct te maken met het ethische vraagstuk of we überhaupt wel moeten willen paardrijden, dat her en der in het publieke debat de kop opsteekt. Het is natuurlijk ieders goed recht om deze vraag ontkennend te beantwoorden, maar persoonlijk ben ik van mening dat sport en beweging ook voor paarden een positieve uitwerking heeft op de algehele fysieke en mentale gesteldheid. Een juiste training van de balans van het paard zal de kans op een blessure door overbelasting minimaliseren. Ook met regelmatige behandelingen van een osteopaat of chiropractor voorkom je dat een paard disfuncties ontwikkelt die voorbodes kunnen zijn van blessures. En het soepel houden van de spieren door een goede sportmasseur draagt ook zeker bij aan blessurepreventie. Maar helemaal nul wordt de blessurekans echter nooit. Daarom vind ik dat je als ruiter of eigenaar altijd bewust moet zijn van de gezondheidstoestand van je paard en daar mag je best een scherp waarnemingsvermogen voor ontwikkelen want een paard geeft pas in een zeer laat stadium aan dat het pijn lijdt.

Ook ben ik van mening dat het noodzakelijk is om medische zorg tijdig in te schakelen. Maar al te vaak hoor ik in de stalgangen bij kreupelheid “we kijken het nog even aan”, “na 10 dagen stappen was het been weer dun” en binnen de kortste keren staat het paard weer vol in training. Kreupelheid is echter een rode vlag als het gaat om trainbaarheid: het paard is dan níet trainbaar. In acute gevallen had je niet eerder kunnen ingrijpen, maar in het geval van overbelasting is het de kunst om tijdig medisch onderzoek te laten verrichten, dus voordat het paard kreupel ís.

Compensatie

Een paard zal als vluchtdier niet gauw zijn pijn of ongemak tonen in de vorm van bewegingsverlies: in de natuur is het dan ten dode opgeschreven. Een paard zal compenseren in zijn lichaam om zijn bewegingen zo optimaal mogelijk te kunnen blijven uitvoeren. Hoe leniger en atletischer het paard gebouwd is, hoe uitgebreider zijn compensatiemogelijkheden zijn. Hoe langer de primaire oorzaak van de pijn bestaat, hoe complexer het compensatiepatroon wordt en hoe groter de kans dat dit compensatiepatroon leidt tot overbelasting, van weer andere structuren. In het ergste geval ontstaat er een complex beeld van blessures waardoor het paard voor langere tijd is uitgeschakeld.

Wanneer we het compensatiepatroon van het paard niet opmerken, missen we eigenlijk gele vlaggen. Het is de kunst om een oog te ontwikkelen voor deze signalen. De houding en de balans van het paard vormen hierbij het referentiekader: indien het paard ondanks een optimale training niet in staat is of blijft om de juiste houding aan te nemen met een voorwaarts neerwaartse tendens, of indien het paard dit minder vanzelfsprekend doet dan men gewend was, dan is dat een signaal voor een mogelijk probleem. Veel ruiters hebben geleerd de oorzaak altijd bij zichzelf te leggen wanneer het gewenste doel in de training niet bereikt wordt. Met zelfkritiek is niets mis maar de valkuil van de aanname dat de fout altijd bij de ruiter ligt, is dat veranderingen in de balans en de houding van het paard, minder worden waargenomen, simpelweg omdat de focus daar niet op ligt. Weten hoe je paard voelt als het optimaal presteert binnen zijn niveau van africhting, en alert zijn op veranderingen hierin, zijn essentieel voor het tijdig herkennen van de gele vlaggen. Als je dán een dierenarts inschakelt, al is het maar voor een preventieve check, is er vaak met een eventuele, weinig ingrijpende, behandeling en een korte periode van verminderde activiteit, veel resultaat te behalen in het herstel en worden langdurige blessures voorkomen. De trainbaarheid blijft gewaarborgd.

Revalidatie

Dat is heel anders in het geval van een langdurige blessure, bijvoorbeeld aan de pezen. Door factoren als een langer bestaand compensatiepatroon voorafgaand aan de blessure en door beperkte beweging ten behoeve van het herstel van de blessure, is de propriocepsis en de coördinatie van het paard vaak verminderd. Het paard is dan na genezing niet trainbaar zoals de meeste gebruikers dat voor ogen houden. Het komt vaak voor dat de eerste wedstrijd bij wijze van spreken wordt gepland, zodra het woord “opbouwen” is gevallen. Echter de trainingsaspecten die in de opbouwfase komen kijken, behelzen het opnieuw ontwikkelen van de propriocepsis en van de coördinatie, als voorwaarde om in een later stadium te kunnen aanvangen met balanstraining. Deze ontwikkeling vraag specifieke vaardigheden en is daarom wat mij betreft voorbehouden aan geschoolde revalidatietrainers.

Revalidatiecentra bieden vaak toegepaste trajecten aan waarbij gebruik gemaakt kan worden van geavanceerde apparatuur als aquatrainers, laserapparatuur, trilplaten, etc. in combinatie met medische expertise. Allerlei ondersteunende technieken aan de hand of aan de longe, met behulp van bijvoorbeeld de Equiband® kunnen worden uitgevoerd door revalidatietrainers, al dan niet in dienst van een revalidatiecentrum. Gebruik maken van verschillende ondergronden om aan de hand te stappen, core stability oefeningen, balance pads, cavaletti, etc. dragen allemaal bij tot het verbeteren van propriocepsis en coördinatie. Echter, de toepassing van al deze onderdelen en technieken moet wel op het individuele paard worden afgestemd. Expertise vormt de basis.

Vertrouwen, communicatie, tijd, rijkunst, kennis en expertise zijn voor mij voorwaarden die de trainbaarheid van het paard waarborgen. Bovengenoemde trainingsaspecten staan garant voor deze voorwaarden. Gezondheid en welzijn zijn wat mij betreft het doel van de rijkunst. Pas dan komt de glitter and glamour van de dressuurwereld ten volle tot zijn schitterende recht.

Ik wil deze blog afsluiten met een citaat van Steinbrecht uit Das gymnasium des pferdes dat illustreert wat voor mij de kracht is van de correcte rijkunst:

“Zo kan ook de berijder die zijn kunst echt goed verstaat (….) zelfs wonderen verrichten bij het herstellen van fouten en gebreken die zijn ontstaan door misbruik of ondeskundigheid van eerdere ruiters. Door het paard op passende wijze te richten, is hij vaak in staat complete genezing teweeg te brengen, nadat alle diergeneeskundige hulp[1] gefaald heeft”.

[1] Ik moet hierbij opmerken dat de diergeneeskunde van vandaag niet te vergelijken is met die uit de periode waarin Steinbrecht leefde, en zou daarom kiezen voor de combinatie van diergeneeskundige hulp én correcte training.

Voor het schrijven van deze blog heb ik gebruik gemaakt van de volgende bronnen:

  • Gustav Steinbrecht, Das gymnasium des pferdes, Tirion Natuur, 2003
  • Gerd Heuschmann, Dressuur onder vuur, Tirion Natuur, 2008
  • Karin Leibbrandt, Je paard succesvol trainen, Het Boekenschap, 2017
  • Gail Williams PhD, Horse movement, structure, function and rehabilitation, J.A. Allen, 2014
  • Jean-marie Denoix, Physical therapy and massage for the horse, Manson Publishing, 2001
  • Emiel Voest, Handleiding – loswerken, 2005

 

Astrid Hoppenbrouwers

Astrid Hoppenbrouwers

astrid@horsesinhands.nl

Mijn naam is Astrid Hoppenbrouwers. Onder de naam Horses in Hands, geef ik dressuurinstructie, Freestyle instructie loswerken, grondwerk en dubbele lange lijnen (ORUN, Freestyle Academy). Als gedragstherapeut (Tinley Academie) kan ik je helpen wanneer je paard ongewenst gedrag vertoont, zowel in de omgang als onder het zadel. Ook kun je me benaderen voor hulp bij het trailerladen. Ik ben gecertificeerd specialist. Op dit moment ben ik in opleiding voor revalidatietrainer en bitfitter.

Meer info vind je op www.horsesinhands.nl

Er zijn nog geen reacties

Laat een reactie achter